2. Het onderzoek
De onderzoeksmethode en de resultaten
In juni 1996 rolde deel 15n1 van de inventaris "Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen" van de persen. Die inventaris wordt opgemaakt door het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE).
Deel 15n1 bevat het bouwkundig erfgoed van Oudenaarde en haar fusiegemeenten.
Op de website www.onroerenderfgoed.be (link best openen in een nieuw venster) onderstreept de Vlaamse Overheid het belang van dit unieke naslagwerk: "Voor zowel het beschermde als voor het niet-beschermde bouwkundig erfgoed is de inventaris ‘Bouwen door de eeuwen heen’ een uitermate waardevol instrument. Hij geeft een gebiedsdekkend overzicht van het bestaande bouwkundige erfgoed aanwezig in Vlaanderen. Hij vormt het uitgangspunt bij de selectie van beschermingsvoorstellen van monumenten en stads- en dorpsgezichten en vergemakkelijkt de evaluatie van de voorstellen. Hij is een gids voor de cultuurhistorische architectuur die een bepaalde streek rijk is." (zie www.onroerenderfgoed.be/nl/index.cgi?id=773&nav=true)
De opzet van de inventaris is vierledig:
De werkwijze bij het opstellen van de inventarisatie bestaat uit veldwerk, aangevuld met archivalisch en bibliografisch onderzoek, om de belangrijkste gebouwen in hun context te situeren. De selectie van het bouwkundig erfgoed gebeurt daarbij op basis van de evaluatie van het belang van het gebouw op historisch, artistiek, industrieel-archeologisch, volkskundig, wetenschappelijk of sociocultureel vlak.
Overeenkomstig de Conventie van Granada wordt aandacht besteed aan een holistische benadering van het bouwkundig erfgoed, zodat het interieur, de omgeving en het volledige spectrum aan bouwkundige constructies aandacht krijgen. Dit betekent dat naast religieuze, burgerlijke en industriële gebouwen ook een ruim aantal doorsneewoningen en –constructies worden opgenomen, typerend voor een gebied en/of een periode (zie www.vioe.be/inventarisatie/bouwkundigerfgoed?nav=true).
In het verleden werden grote blunders gemaakt met betrekking tot ons historisch erfgoed: het gat in de Markt, het dempen van de coupures en zijarmen van de Schelde én de aanleg van een industrieterrein (ironischweg "Coupure" genoemd) in de Scheldemeersen. Er was uiteraard ook de sloop in 1967 van het Bourgondisch kasteel op de rechteroever én die van het modernistische huis van Jules Boulez op de linkeroever om plaats te maken voor de Scheldewerken.
Het huidige stadsbestuur kan hier uiteraard niet verantwoordelijk voor gesteld worden. Aandacht voor monumentenzorg was er – niet enkel in Oudenaarde maar ook bij hogere overheden – nauwelijks. De echte sensibilisatie rond erfgoedbeleid zou er pas komen vanaf 1989 wanneer de eerste editie van de Open Monumentendag plaatsvindt. Niet enkel bij de inwoners, maar ook bij vele lokale besturen in Vlaanderen.
Boekdeel 15n1, de inventaris van Oudenaarde en haar fusiegemeenten, rolde pas in 1996 van de persen. Toch werd in Oudenaarde de kaalslag verdergezet, zo toont ons onderzoek.
Met de inventaris in de hand doorkruisten we het kleinstedelijk gebied Oudenaarde; dit zijn de deelgemeenten Oudenaarde, Bevere, Leupegem, Ename, Nederename en het hierop aansluitende deel van Eine ten oosten van de N60.
We konden algauw vaststellen dat, op amper 13 jaar tijd, het bouwkundig erfgoed op veel plaatsen onherstelbaar verminkt werd of zelfs volledig verdwenen is.
Voor het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed moet de inventaris het uitgangspunt zijn voor het opstellen van lijsten van te beschermen monumenten, stads- en dorpsgezichten. Bedoeling van deze inventaris was vooral een basis te verschaffen om een verantwoord beschermingsbeleid te kunnen uitstippelen.
Het is duidelijk dat het stadsbestuur van Oudenaarde heel vaak vanuit een ander logica denkt en handelt! Zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven laat de stad volledige huizenblokken slopen, vaak nadat de eigenaar – die soms de stad zelf is - ze eerst heeft laten vervallen, om er dan nieuwbouwprojecten te laten optrekken.
Aan de hand van ons onderzoek durven wij stellen dat het stadsbestuur bij zijn beleid qua erfgoed het behoud nastreeft van een beperkt aantal sites: de Markt en onmiddellijke omgeving (het stadhuis en de Walburgakerk, het begijnhof, de Pamelekerk, het Huis de Lalaing) en de archeologische site en het centrum van Ename. Met andere woorden, de stad draagt zorg van zijn toeristische trekpleisters in het stadscentrum.
Het architecturaal patrimonium omvat in groot Oudenaarde echter veel meer dan die toeristische trekpleisters. Naast het erfgoed in de deelgemeenten, dat aan een onthutsende snelheid verdwijnt, heeft de stad ook te weinig aandacht voor een geïntegreerd erfgoedbeleid. Nochtans stelde minister De Backer bij de opmaak van de inventaris net die "geïntegreerde monumentenzorg" als doel voorop:
Het is net de kleine, historische architectuur die het stadsbeeld mee vorm geeft en de uitstraling van de stad bepaalt. Die uitstraling dreigt volgens ons verloren te gaan.